Home Kat Gedrag Spelen is leren voor jonge katten

Spelen is leren voor jonge katten

Door spelgedrag leert een jong katje een groot deel van zijn sociaal gedrag van de toekomst kennen. Door vechtspelletjes oefent het katje zijn be­hendigheid voor de gevechten van later. Zo staat hij dan niet als een onhandige nieuwkomer tegenover een rivaal, maar als een enigszins geoefende tegenstander. Binnen de groep waartoe hij behoort, wordt via de vechtspelletjes ook al een sociale status bepaald. Zo leert hij de so­ciale hiërarchie van later alvast onge­dwongen begrijpen. Met zo'n drie weken beginnen de kittens onderling en met de moeder te stoeien. Dit zijn nog ongecontroleerde woede­aanvallen, die echter niet serieus be­doeld zijn.

Vier weken
Met vier weken worden de vechtspelle­tjes ingewikkelder van vorm. De katjes worden handiger en het bewegingsappa­raat is verder ontwikkeld. Ze kunnen nu al behoorlijk worstelen met elkaar. Ze slaan met de achterpootjes naar elkaars buiken en omklemmen elkaar met de voorpootjes. Met vijf weken beheerst het jonge spul al het zijwaartse dreigen en worden hun technieken steeds doeltreffender op de tegenstander georiënteerd.

Zes weken
Met zes weken kunnen ze elkaar al in de nek springen en achter elkaar aan ren­nen (hard rennen is voor katten niet echt makkelijk, hun rennen bestaat uit een se­rie van halve sprongen). Rond deze tijd begint ook als een vorm van sociaal contact de onderlinge vachtverzorging te komen: de vacht van elkaar en van het katje je zelf wordt nu door likken onderhouden.

Speelgoed
Door spelen leren houdt onmiddellijk het belang in van de aanwezigheid van 'sti­muli'. Dit zijn voorwerpen die eigenlijk bestemd zijn om een bepaald gedrag op te wekken. Bij jonge katjes kun je pingpongballetjes leggen, speelgoedmuizen, balletjes op een veer enz. Al die verschillende speel­tjes lokken een bepaald gedrag uit. Wat hierdoor weer geoefend wordt. Veel van dit spelgedrag is ook essentieel voor hun capaciteiten als volwassen kat. Sluipgedrag wordt opgewekt door de zacht kwispelende staart van moeder of door een touwtje dat je zachtjes over de grond voorttrekt. Het katje gaat met een sluipende gang voorzichtig kruipend naar voren, de staart beweegt zwiepend heen en weer. Zo wordt het vangen van muizen geoefend.

Een propje papier of pingpongballetje inspireert tot het met de pootjes heen en weer tikken en laten wippen van de 'prooi'. Een speeltje aan een touwtje bengelend, of een rondvliegende vlinder of dikke vlieg, lokken een sprong tot het vangen van een vliegende prooi uit. Op deze manier oefent de kat zich in het toekom­stige vangen van een opvliegende vogel. Nu is het niet zo dat de kittens geheel afhankelijk zijn van jouw speeltjes om hun toekomstige vaardigheden onder de knie te krijgen. Zij doen allemaal spelletjes, waarvan de spelelementen elkaar over­lappen, of ze herhalen eenzelfde spel­element vele keren zonder jouw speeltjes. Ze beloeren een denkbeeldige vijand, en besluipen en bespringen hem ook. In het niets. Maar leren doen ze er even goed van. Sluip-spring gedrag, elkaar om­gooien en zogenaamd vechten, alle ge­drag wordt de hele dag buiten het slapen geoefend. Ook het klimmen en afdalen, het springen en afspringen moet geleerd worden door veelvuldig oefenen. Hoe meer mogelijkheden een katje daarvoor krijgt, hoe behendiger en ondernemen­der zal het in de toekomst zijn.

Vijf maanden
Na een maand of vijf wordt de intensiteit van het spelen een stuk minder. Er wordt minder vaak gespeeld, met minder inte­resse en de spelletjes zijn korter van duur. De reden tot het verminderen van het spelgedrag kan natuurlijk zijn dat een op­groeiende kat met zo'n vier en een halve maand vaak al voor zichzelf moet zor­gen. Zijn moeder zorgt niet meer voor hem en de broers en zusjes staan ook op eigen benen. Het leven is serieus geworden. Maar het kan ook zijn dat de speelpe­riode voorbij is. Tenslotte verliezen wij ook onze speelsheid in de loop van het opgroeien.

Toch kun je de kat zoveel mogelijk speels houden door je met hem te be­moeien. Het tikken van je vingers op een tafel, spelen met een balletje, propje papier weggooien (wat in sommige ge­vallen leidt tot de 'apporterende kat' bij heel veel binding met de kat), dat alles houdt het gedrag van de kat nog heel lang jong. Bij gebrek aan spel/oefenmateriaal ont­staat er een bepaalde afstomping in het lagere gedrag. Wanneer een katje door gebrek aan andere katjes of voorwerpen zich niet kan bezig houden met zijn vecht- en stoeispelletjes ontstaat in de toekomst een gedragsgestoorde kat die niet goed weet hoe hij moet omgaan met andere katten of mensen. Dus geef een jong katje vooral speeltjes om mee te stoeien en bemoei je er ook mee tijdens het spel. Jouw handen, benen en voeten en je mogelijkheden iets weg te gooien maken je tot een uitstekende kameraad voor het katje.

© Tirion Uitgevers BV

PDF

Reacties(0)


Schrijf een reactie

Je kunt alleen reageren als je ingelogd bent. Log rechtsonder in of registreer nu.
 

Laatste artikelen:

Zoek een Pets Place

bij jou in de buurt

Mijn Pets Place

Word ook Dierenvriend!
> Registreren             > FAQ